Literatuur: wat weten we over risicovol spel?

Een overzicht van wetenschappelijke inzichten, theorieën en praktijkonderzoeken over het belang van risicovol spelen, de rol van volwassenen en de verschuiving naar ‘zo veilig als nodig’. Deze bronnen tonen hoe kinderen groeien wanneer ze ruimte krijgen om risico’s te verkennen, en hoe begeleiders hen daarbij veilig en bewust kunnen ondersteunen.

Barefoot and balanced

Angela J. Hanscom is pediatrisch ergotherapeute en oprichtster van TimberNook, een bekroond ontwikkelings‑ en natuurprogramma dat internationaal bekendheid heeft verworven. Ze behaalde een master in ergotherapie en een bachelor in kinesiologie, de studie van beweging. Hanscom schrijft regelmatig voor The Washington Post en werd door Glamour Magazine uitgeroepen tot “Hometown Hero” voor haar vernieuwende werk rond buitenspelen. Ze woont in Barrington, New Hampshire.

Haar boek belicht het therapeutische belang van outdoor-play en haalt manieren aan om gezonde ontwikkeling bij kinderen te stimuleren via outdoor-play ervaringen. Hanscom gelooft erin dat de ontwikkelingsvoordelen van outdoor-play thuishoren in zowel thuis- als schoolomgevingen.

Ze vertrekt ook vanuit de vraag waarom kinderen tegenwoordig fysiek minder sterk lijken te zijn, zowel qua kunnen, kracht als uithouding. Dat is een observatie die ik ook al vaker hoorde in gesprekken met LO‑leerkrachten. Zij spreken vanuit hun ervaring en vergelijken de motorische mogelijkheden van kinderen vandaag met die uit hun eigen jeugd en uit hun jarenlange praktijk als LO‑leerkracht.

Ook haalt zij aan dat uit onderzoek blijkt dat kinderen tegenwoordig steeds minder in staat zijn om zelf tot vrij spel, creativiteit en verbeelding te komen. Dit blijkt samen te hangen met de beperkte tijd die kinderen nog krijgen voor ongestructureerd, vrij (buiten) spel. Verliezen kinderen hun verlangen en vermogen om te spelen, een eigenschap die eigenlijk in de aard van de mens zou moeten zitten? En heeft dit daarnaast nog andere schadelijke gevolgen voor hen?

 

MOTORISCHE ONTWIKKELING EN KRACHT

Kinderen hebben een aangeboren nieuwsgierigheid en een natuurlijke drang om te bewegen. De natuur biedt hen daarbij een steeds veranderende omgeving die uitnodigt tot divers spel. Door de grote spiergroepen regelmatig op verschillende manieren aan te spreken, wordt een sterke basis van ondersteuning opgebouwd. Hierdoor kunnen de armen, benen, het hoofd en de ogen beter bewegen en functioneren, wat leidt tot betere kijk‑ en luistervaardigheden en nauwkeurigere en efficiëntere lichaamsbewegingen. Actief spel dat de hartslag verhoogt is daarbij niet alleen belangrijk om gezondheidsredenen, maar ook om het vermogen van het hart en de longen om zuurstof op te nemen te versterken.

Hanscom haalt ook aan dat wanneer kinderen regelmatig in bomen klimmen, zij niet alleen de spieren en coördinatie ontwikkelen die nodig zijn om ervaren klimmers te worden, maar ook zelfverzekerd, sterk en veilig worden in andere fysieke activiteiten. Om een goede fijne motoriek te ontwikkelen, hebben kinderen een sterke romp en een goede schouderstabiliteit nodig. Ze moeten op deze stevige basis kunnen vertrouwen om hun concentratie en energie te richten op nauwkeuriger werk. Zodra die basis er is, hebben kinderen veel oefening nodig met het vastpakken en hanteren van voorwerpen om sterke en vaardige vingers te ontwikkelen. Kinderen ontwikkelen fijn motorische kracht door bezig te zijn met kleine voorwerpen of door taken uit te voeren die weerstand bieden. Hoe meer kansen kinderen krijgen om hun handen te gebruiken, hoe verfijnder en sterker de spieren in hun handen en vingers worden.

Dingen zoals klei kneden, in de aarde graven, onkruid wieden en met stoepkrijt op de oprit schrijven zijn uitstekende spelervaringen om op een natuurlijke manier kracht in de handen op te bouwen en te behouden. Werken met gereedschap vraagt eveneens veel fijnmotorische kracht. Activiteiten zoals het in elkaar timmeren van een hut stellen een kind in staat om de hamer stevig vast te houden en te controleren, terwijl de andere hand de spijker stilhoudt met een meer verfijnde greep. Een schroevendraaier gebruiken, met moeren en bouten prutsen en zelfs een zakmes hanteren om hout te snijden, dagen allemaal de vingers uit. Oudere kinderen kunnen een mes gebruiken, en het is een belangrijke vaardigheid om te hebben. De meeste verwondingen gebeuren juist wanneer de handspieren zwak zijn en de fijne motoriek onvoldoende wordt uitgedaagd.

Deze inzichten tonen hoe fijn motorische ontwikkeling niet alleen ontstaat door kleine handelingen, maar ook door het hanteren van materialen die echte weerstand bieden. Precies daarom wordt voor mij nog eens extra bevestigd hoe waardevol het is om kinderen, al vanaf de kleuterleeftijd, echte en functionele materialen aan te bieden, bijvoorbeeld aan een werkbank. Wanneer jonge kinderen leren omgaan met hamers, schroevendraaiers, bouten en moeren, bouwen ze niet alleen kracht op in hun handen en vingers, maar ontwikkelen ze ook controle, precisie en risicocompetentie. In het verlengde daarvan leg ik zelf de link met kindermessen en gereedschap zoals de kartonmessen of de kartonschroeven met metalen schroevendraaiers van Eduplay en Makedo. Deze materialen zijn ontworpen voor kinderen, maar blijven echt in hun werking en vragen een bewuste greep en gecontroleerde bewegingen. Ze nodigen uit tot open gesprekken rond veiligheid. Zo ontstaat een alertheid en verantwoordelijkheidsgevoel die kinderen alleen ontwikkelen wanneer ze met authentiek gereedschap werken, wat binnen een klascontext zorgt voor een natuurlijke opbouw in materiaalgebruik en een rijke leeromgeving waarin motorische ontwikkeling en risicocompetentie hand in hand gaan.

 

DE ONTWIKKELING VAN ONZE ZEVEN ZINTUIGEN

Ook belicht ze de ontwikkeling van onze zeven zintuigen. Ja, zeven. Naast de vijf bekende zintuigen voelen, zien, horen, ruiken en proeven, behoren ook het evenwichtsgevoel (vestibulair) en proprioceptie (lichaamsbewustzijn) tot ons sensorisch systeem. Samen bepalen deze zintuigen hoe we ons lichaam en onze omgeving ervaren, en hoe we ons daartoe kunnen verhouden.

Kinderen ontwikkelen proprioceptie door een reeks duw- en trekbewegingen die ontstaan wanneer zij interactie hebben met hun omgeving. Deze duw- en trekkrachten creëren nieuwe zwaartekrachtsbelastingen en aanpassingen die de botten en het spierweefsel in de loop van de tijd versterken. Dit zorgt voor een groter bewustzijn van de vermogens en de positionering van de verschillende spieren, wat leidt tot een beter lichaamsbewustzijn.

Kinderen met een slecht ontwikkeld proprioceptief zintuig zijn over het algemeen gevoeliger voor botbreuken, vallen, ontwrichtingen en blessures. Ze zijn vaak onhandig en staan erom bekend dat ze op een robotachtige manier lopen. Ze moeten vaak naar hun lichaamsdelen kijken om ze correct te kunnen bewegen.

Om het proprioceptieve systeem te onderhouden of te versterken, moet je volgens Hanscom kinderen aanmoedigen om spelervaringen op te zoeken die weerstand bieden aan gewrichten, spieren en bindweefsel. Dit wordt ook wel het doen van "zwaar werk" genoemd, wat in feite bestaat uit activiteiten die vereisen dat kinderen duwen, trekken en zware objecten dragen. Dit uit zich in speelse, uitdagende activiteiten zoals het voortduwen van een kruiwagen, het oprapen van zware stenen om een dam te bouwen, diep graven in het zand of de landing opvangen na een sprong.

Deze krachten zorgen voor nieuwe belasting op spieren, gewrichten en bindweefsel, waardoor kinderen sterker worden en beter begrijpen hoe hun lichaam beweegt en reageert. Een goed ontwikkeld proprioceptief systeem geeft kinderen vertrouwen in hun eigen motorische vermogens. Daarom is het belangrijk om hen spelervaringen aan te bieden die weerstand vragen en het hele lichaam activeren.

Van alle zintuigen wordt het vestibulaire zintuig (het evenwichtszintuig) vaak het meest over het hoofd gezien. Toch is het de krachtigste en waarschijnlijk een van de meest essentiële zintuigen die we hebben. Het staat ook wel bekend als onze evenwichtszin.

Kinderen met een sterk ontwikkeld vestibulair systeem hebben meestal een goede coördinatie, een nauwkeurig lichaamsbewustzijn en een vaardig evenwichtsgevoel. Ze kunnen bijvoorbeeld met precisie en schijnbare moeiteloosheid van rots naar rots springen langs de oceaan.

Kinderen ontwikkelen een sterk vestibulair systeem door regelmatig de kans te krijgen om te bewegen, vooral tijdens activiteiten die ingaan tegen de zwaartekracht. Met andere woorden: kinderen profiteren enorm van ondersteboven hangen, draaien, tuimelen en schommelen.

De meeste vestibulaire prikkels kunnen worden opgedaan via gewone spelervaringen, zoals ondersteboven hangen aan het klimrek, van heuvels af rollen en dansen tot hun kleine hartjes tevreden zijn. Zonder een sterk evenwichtszintuig dat nauwkeurige informatie geeft over waar het lichaam zich bevindt ten opzichte van de omgeving, worden ook alle andere zintuigen beïnvloed, wat dagelijkse activiteiten uitdagender maakt. In feite zijn het vestibulaire, het auditieve (gehoor) en het visuele (zicht) zintuig onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Zowel het boek als mijn eigen oogarts wijzen op het groeiende probleem van bijziendheid bij kinderen en benadrukken de link tussen buitenspelen en de ontwikkeling van de oogspieren.

Het zenuwstelsel en de zintuigen functioneren samen als het communicatienetwerk van het lichaam. Ze vormen één geheel waarin hersenen en ruggenmerg, zintuigen en zenuwen prikkels opvangen, deze informatie verwerken en een passende reactie naar de spieren sturen. Wanneer kinderen fysieke uitdagingen aangaan, wordt dit netwerk geactiveerd en uitgedaagd. Het zenuwstelsel moet zich voortdurend aanpassen en bijsturen, een proces dat bekendstaat als de adaptieve respons. Door deze voortdurende afstemming leggen kinderen de neurologische basis voor hogere cognitieve vaardigheden en complexere motoriek.

Het belang van activiteiten die rijk zijn aan sensorische integratie wordt hier duidelijk. Het belang van activiteiten die rijk zijn aan sensorische integratie wordt hier duidelijk. Wanneer een kind bijvoorbeeld op blote voeten een boom beklimt, wordt het hele sensorische systeem aangesproken. De ogen zoeken houvast en inschatting van afstand, de voeten voelen textuur, temperatuur en druk, de handen tasten naar stabiliteit, de neus registreert geuren van hout en aarde, en spieren en gewrichten stemmen zich voortdurend op elkaar af om balans te bewaren. Zo ontstaat een spelervaring waarin het lichaam als één geheel leert reageren op de omgeving. Dit soort natuurlijke, uitdagende bewegingen versterkt niet alleen het evenwicht en de proprioceptie, maar ook het vertrouwen in het eigen lichaam en het vermogen om risico’s te herkennen en te hanteren.

UITDAGING ALS MOTOR VOOR GROEI

Bij de sociaal‑emotionele ontwikkeling beschrijft Hanscom een manier van begeleiden die zij omschrijft als de “just right challenge”, wat sterk aansluit bij wat ik ken als de zone van naaste ontwikkeling. Ze benadrukt hoe kinderen groeien wanneer ze net genoeg uitdaging krijgen om hun grenzen te verkennen. Dat kan zich uiten in een begeleider die bewust een stap terugzet en een kind laat klimmen naar een volgend niveau, maar wel nabij blijft om te spotten. Het kind krijgt precies dat kleine duwtje dat nodig is om door te zetten, maar doet het grotendeels zelf, wat zorgt voor een krachtige boost in het zelfvertrouwen en een belangrijke stap richting onafhankelijkheid. Hanscom maakt duidelijk dat deze groei niet alleen ontstaat door fysieke uitdagingen zoals klimmen, maar ook door sociale situaties waarin kinderen zonder voortdurende tussenkomst van volwassenen kunnen spelen, onderhandelen, conflicten oplossen en onderling tot afspraken komen. In die vrije interacties leren kinderen zichzelf reguleren, elkaar begrijpen en samen oplossingen vinden, wat een essentieel onderdeel vormt van hun sociaal‑emotionele ontwikkeling.

Volgens Hanscom zijn sommige cognitieve vaardigheden genetisch bepaald, maar worden de meeste ontwikkeld door levensechte situaties waarin kinderen actief handelen, problemen oplossen en betekenisvolle ervaringen opdoen. Het brein onthoudt en structureert informatie veel beter wanneer een handeling direct betekenis heeft in de echte wereld. Je kunt de cognitieve vaardigheden van een kind niet loskoppelen van zijn of haar fysieke realiteit. Om effectief te kunnen denken en leren, moet een kind de wereld eerst fysiek hebben ervaren, betast, bevochten en begrepen. Dat is voor kinderen, en zeker voor kleuters, de meest natuurlijke manier van leren.

Dat sluit nauw aan bij hoe ik zelf in de kleuterklas sta en wat ik zo belangrijk vind. Zowel binnen als buiten de klas bied ik kinderen kansen om betekenisvol te leren: inzetten op MISC (Mediërende Interactie bij Kinderen) en bewust aansluiten bij wat hen bezighoudt, hen laten exploreren en helpen verbanden te leggen, levensecht ervaren via risicovol spel, loose parts gebruiken in creatieve denkprocessen, echte huishoudelijke en verzorgende taken aanbieden, rijke thema’s met echte materialen, een krachtige leeromgeving en ervaringsgericht leren als vertrekpunt nemen.

ACTIVE FREE PLAY

Vrij om te spelen wat je maar wil, vrij om te ontdekken, vrij om te dwalen, vrij om fouten te maken, vrij om te springen, dansen, roepen, klimmen,… Vrij om risico’s te nemen. Het lichaam in beweging brengen, de zintuigen prikkelen, en de fantasie aanwakkeren zodat het hele lichaam en de hersenen tegelijkertijd worden geactiveerd. Dat is vrij spel.

Actief vrij spel, buiten, is stilaan een zeldzaamheid aan het worden. Toch is het belangrijk dat we stoppen met alles in te plannen en juist meer tijd en kansen voorzien voor vrij spel en beweging bij kinderen. De ontwikkeling van hun geest en lichaam heeft actief vrij spel nodig.

Actief vrij spel ontwikkelt de sterke spieren en botten die nodig zijn voor stabiliteit, blessurepreventie, uithoudingsvermogen en kracht. Deze ontwikkeling wordt nog verder versterkt wanneer het spel buiten plaatsvindt. Onderzoeken naar kinderen in Noorwegen en Zweden vergeleken kleuters die op relatief vlakke speeltuinen speelden met kinderen die speelden tussen grote rotsen, bomen en ongelijk terrein. Ze ontdekten dat kinderen die in natuurlijke gebieden speelden, beter scoorden op hun motorische vaardigheden, vooral op het gebied van balans en behendigheid (Grahn et al., 1997).

De buitenomgeving is onvoorspelbaar. Rotsen, stenen, stokken en boomstammen in allerlei maten en gewichten. Kinderen moeten hun kracht reguleren om hen op te tillen, elke keer hun eigen fysieke limiet testen. Klimmen, hangen, en graven verstevigen de spieren in hun core en bovenlichaam. Zichzelf navigeren door oneffen en wisselend terrein, zeker blootvoets, daagt de spieren in de benen, enkels en voetbogen uit. Het ontwikkelen van spierkracht door middel van spel helpt bij het zorgen voor stabiliteit en kracht voor de wervelkolom en ledematen.

 

 

THE OUTDOORS OFFERS RISK AND CHALLENGE

De buitenwereld is onvoorspelbaar en vaak komen kinderen onverwachte dingen tegen. Buiten spelen dwingt hen om hun omgeving te beoordelen en risico's in te schatten. Wanneer een jong kind er goed in wordt om zijn of haar omgeving te beoordelen, risico's in te schatten en uitdagingen aan te gaan, wordt het ook zelfverzekerd. Ze leren hun kracht te verzamelen en door te zetten, zelfs wanneer iets moeilijk of onmogelijk lijkt. Ze ontdekken waartoe ze fysiek en mentaal in staat zijn wanneer ze het steeds opnieuw proberen. Hanscom beschrijft het inschatten van risico's en het aangaan van uitdagingen tijdens het buitenspelen als zeer waardevol:

  • kinderen bouwen zelfvertrouwen op (obstakels overwinnen)
  • kinderen dagen zichzelf uit in hun eigen tempo (tijdens vrij buitenspelen bepalen kinderen zelf wanneer ze klaar zijn om risico's te nemen en hebben ze zelfs controle over hoeveel risico ze willen nemen)
  • ze leren flexibel te zijn (ze leren dat ze de uitkomst van hun spel niet altijd kunnen controleren, ze leren flexibel te denken)

 

“SAFETY FIRST” EQUALS CHILD DEVELOPMENT LATER

In dit hoofdstuk toont Angela Hanscom hoe de hedendaagse nadruk op veiligheid en voortdurende supervisie kinderen belemmert in hun natuurlijke ontwikkeling. Ze beschrijft hoe een cultuur van angst is ontstaan, waarin ouders en scholen vooral gericht zijn op het vermijden van risico’s. Deze angst is volgens haar niet gebaseerd op reële gevaren, maar op maatschappelijke druk, mediaverhalen en juridische bezorgdheden. Het gevolg is dat kinderen steeds minder vrij bewegen in hun woonomgeving en minder kansen krijgen om zelfstandig te spelen, te verkennen en risico’s te leren inschatten.

Hanscom benadrukt dat kleine verwondingen, onverwachte situaties en fysieke uitdagingen geen bedreiging vormen, maar juist waardevolle leermomenten zijn. Door risico’s te ervaren en te overwinnen, bouwen kinderen veerkracht, zelfvertrouwen en risicocompetentie op. Ze pleit voor praktische veiligheid waarin kinderen leren omgaan met echte risico’s zoals water, hoogte, snelheid, dieren en natuurlijke elementen. Daarbij hoort ook het herkennen van gevaren in de eigen leefwereld, zowel in natuurlijke omgevingen als in stedelijke contexten. Kinderen moeten leren hoe ze afstand en snelheid inschatten, hoe ze verkeerssignalen interpreteren en hoe ze zich veilig bewegen in drukke omgevingen. Dit vraagt om nabijheid van volwassenen, maar niet om constante controle. Kinderen hebben ruimte nodig om hun omgeving te lezen, inschattingen te maken en hun eigen grenzen te verkennen.

Daarnaast wijst Hanscom op grote culturele verschillen in hoe we naar veiligheid en zelfstandigheid kijken. In sommige landen wordt zelfstandige mobiliteit gezien als een teken van vertrouwen en goed ouderschap. Kinderen krijgen daar de ruimte om hun buurt te verkennen, alleen te spelen en eigen beslissingen te nemen. In andere contexten overheerst een cultuur van toezicht waarin kinderen voortdurend worden gevolgd en begeleid. Hanscom toont hoe deze verschillen rechtstreeks invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen. Hoe minder vrijheid, hoe minder kansen om fysieke, cognitieve en sociaal emotionele vaardigheden op een natuurlijke manier te laten groeien.

Vrij spel, uitdagende situaties en de mogelijkheid om de eigen woonomgeving zelfstandig te verkennen zijn volgens Hanscom essentieel voor een gezonde ontwikkeling. Wanneer kinderen de ruimte krijgen om te experimenteren, te onderhandelen, conflicten op te lossen en hun lichaam te gebruiken in echte situaties, ontwikkelen zij vaardigheden die niet te vervangen zijn door vooraf bedachte activiteiten of gecontroleerde speelomgevingen. Haar visie onderstreept dat risicovol spel en vrij bewegen noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van risicocompetentie, autonomie en sociaal‑emotionele groei. Dit sluit nauw aan bij de ervaringsgerichte pedagogiek en bij de inzichten van Sandseter en Brussoni die benadrukken dat kinderen leren door te doen, te ervaren en te voelen.

Hanscom, A. J. (2016). Balanced and Barefoot: How Unrestricted Outdoor Play Makes for Strong, Confident, and Capable Children. New Harbinger  Publications.

Sandseter: risicovol spel & scaryfunny

Professor Ellen Sandseter beschrijft zes categorieën van risicovol spel, gaande van spelen op grote hoogtes tot stoeispelen, waaronder duw‑ en trekspel. In al deze vormen ervaren kinderen een mengeling van spanning en plezier, een moment waarop lichte angst en opwinding elkaar raken. Sandseter noemt dit 'scaryfunny'. Het is geen echte angst, maar een leerzame vorm van spanning die kinderen helpt om grenzen te verkennen, risico’s te leren inschatten en zelfvertrouwen op te bouwen.

In haar fenomenologische analyse onderscheidt Sandseter drie soorten ervaringen tijdens risicovol spel: pure opwinding, pure angst, en vooral de mix van opwinding én angst. Die laatste 'scaryfunny' vormt volgens haar de centrale motivatie voor kinderen om risicovol spel op te zoeken. Het is precies deze prikkelende spanning die hen uitnodigt om opnieuw te proberen, verder te gaan en hun eigen competenties te ontdekken.

Een belangrijk onderscheid in haar werk is dat risico niet hetzelfde is als gevaar. Risico biedt uitdaging en leerkansen, terwijl gevaar schade kan veroorzaken zonder dat kinderen dit kunnen inschatten.

Verschillende andere bronnen hanteren een bredere interpretatie van risicovol spel en spreken over acht categorieën. Zij voegen twee vormen toe die in de praktijk vaak voorkomen, maar niet expliciet door Sandseter benoemd werden.

'Plaatsvervangend risico' verwijst naar spanning die kinderen ervaren wanneer ze kijken naar anderen die iets uitdagends doen.

'Spelen met impact' gaat over fysieke kracht, botsing of weerstand die kinderen ervaren tijdens hun spel.

Deze bredere indeling toont dat risicovol spel niet alleen gaat over zelf handelen, maar ook over observeren, inschatten en voelen.

Sandseter benadrukt bovendien dat de omgeving een belangrijke rol speelt. Natuurlijke elementen bieden uitnodigingen tot spel die kinderen aanzetten tot exploratie en uitdaging. Risicovol spel heeft daarnaast een sociale dimensie. Kinderen moedigen elkaar aan, spiegelen gedrag en leren van elkaars ervaringen.

Ten slotte verbindt Sandseter risicovol spel met latere levensvaardigheden zoals veerkracht, besluitvorming en het reguleren van spanning. Het zijn vaardigheden die kinderen voorbereiden op echte risico’s later in het leven.

Hansen Sandseter, E. B. & Brit Paulsen. (2010). Scaryfunny (Door Norwegian University of Science and Technology, Faculty of Social Sciences and Technology Management, & Department of Psychology).

Brussoni: waarom natuurlijke omgevingen?

Mariana Brussoni benadrukt de onmiskenbare voordelen van de natuur voor de ontwikkeling van kinderen. Natuurlijke omgevingen nodigen uit tot exploratie, bieden een ongekende variatie aan risico’s en versterken de autonomie van kinderen. Bovendien verlagen ze stress en bevorderen ze de motorische ontwikkeling.

In haar werk toont Brussoni dat kinderen evolutionair ingesteld zijn om risico’s op te zoeken en dat deze ervaringen essentieel zijn voor hun fysieke, sociale en mentale ontwikkeling. Buiten spelen is daarbij uniek: het is vrij gekozen, ongestructureerd en kindgestuurd, en het biedt een rijkdom aan affordances die binnen nauwelijks te vinden zijn. Kinderen bewegen meer, zijn minder sedentair en ervaren meer vrijheid wanneer ze buiten spelen, zeker wanneer ze dit zonder directe inmenging van volwassenen kunnen doen .

De natuurlijke wereld vormt een dynamisch speelterrein dat kinderen uitdaagt en tegelijkertijd een veilige ruimte biedt om hun grenzen te verkennen en te verleggen. Brussoni beschrijft drie cruciale ingrediënten voor een omgeving die risicovol spel ondersteunt: tijd, ruimte en vrijheid. Wanneer kinderen voldoende tijd krijgen om buiten te spelen, toegang hebben tot rijke en gevarieerde speelruimtes, en de vrijheid ervaren om hun spel zelf te sturen, ontstaan de omstandigheden waarin risicocompetentie kan groeien.

Daarnaast benadrukt Brussoni dat risicovol spel kinderen helpt om angst te reguleren, veerkracht op te bouwen en risico’s beter te leren inschatten. Het ontbreken van deze ervaringen kan leiden tot een verhoogde angstgevoeligheid, minder zelfvertrouwen en een beperkte risicoperceptie.

Risicovol spel is dus geen luxe, maar een noodzakelijke bouwsteen voor gezond en autonoom opgroeien.

OECD, & Brussoni, M. (2020). Education in the Digital Age: Healthy and Happy Children (T. Burns & F. Gottschalk, Reds.). OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/1209166a-en

Hoe kinderen hun omgeving gebruiken voor risicovol spel. (Obee et al.)

In hun studie onderzoeken Obee en collega’s hoe jonge kinderen risicovol spel vormgeven door actief gebruik te maken van de mogelijkheden die hun omgeving hen biedt. Vanuit de ecologische psychologie, waarin een affordance wordt gezien als een uitnodiging tot handelen die ontstaat in de relatie tussen kind en omgeving, tonen de auteurs hoe kinderen niet wachten tot een speelruimte hen iets “aanreikt”, maar zelf voortdurend nieuwe kansen creëren. Risicovol spel blijkt geen vooraf gedefinieerde categorie, maar een dynamisch proces waarin kinderen hun eigen grenzen verkennen, aftasten en verleggen.

De onderzoekers onderscheiden drie soorten omgevingskenmerken die kinderen inzetten om risicovol spel te realiseren: stabiele elementen, verplaatsbare materialen en weerelementen. Die driedeling maakt zichtbaar dat risico niet enkel ontstaat bij spectaculaire toestellen of vooraf ontworpen uitdagingen, maar juist in de variatie, natuur en manipuleerbaarheid van een omgeving.

Stabiele kenmerken zoals bomen, hellingen, rotsen, heuvels of vaste structuren vormen de basislaag waarop veel risicovormen ontstaan. Kinderen gebruiken hoogte om te klimmen en springen, hellingen om snelheid te ervaren, en dichte begroeiing om even te verdwijnen uit het zicht. In deze interacties wordt duidelijk hoe kinderen risico gradueel opbouwen: ze kiezen zelf hoe hoog ze gaan, hoe snel ze bewegen en hoe ver ze zich terugtrekken. De omgeving fungeert niet als een vast decor, maar als een partner die hen uitnodigt tot exploratie.

Daarnaast toont het onderzoek dat verplaatsbare materialen een uitzonderlijk rijke bron zijn voor risicovol spel. Planken, kratten, touwen, banden, hout en andere loose parts worden door kinderen gecombineerd, verlegd en getransformeerd tot nieuwe structuren. Hierdoor ontstaan zelfgebouwde hoogtes, schuilplekken, ruig spel en zelfs het gebruik van “gevaarlijke tools”. Wat opvalt, is hoe zichtbaar kinderen hun risicobeoordeling tonen: ze testen stabiliteit, vragen hulp, passen hun constructie aan, verhogen of verlagen de uitdaging. Loose parts maken het risico kindgestuurd, flexibel en creatief. Ze verlengen bovendien de speeltijd en de complexiteit van het spel.

Ook weerelementen blijken een volwaardige bron van affordances. Sneeuw, ijs, wind en regen creëren dynamische omstandigheden waarin kinderen snelheid, gladheid, ruig spel en verdwijnplekken ervaren. In plaats van een barrière vormt het weer een leerpartner die kinderen helpt om risicoperceptie, zelfregulatie en veerkracht te ontwikkelen. De auteurs verwijzen naar de Noorse friluftsliv‑cultuur, waarin buiten zijn en omgaan met natuurlijke omstandigheden vanzelfsprekend deel uitmaakt van de pedagogische praktijk.

Over de hele lijn benadrukt het artikel dat risicovol spel een ontwikkelingsbehoefte is. Het draagt bij aan fysieke activiteit, mentale gezondheid, zelfvertrouwen, risicoperceptie en autonomie. Tegelijk waarschuwen de auteurs voor de paradox van overbescherming: hoe meer risico’s worden weggenomen, hoe minder kinderen bewegen, hoe minder competent ze zich voelen en hoe groter hun angst voor het onbekende wordt. Risicocompetentie ontstaat niet door uitleg, maar door echte ervaring in een omgeving die uitnodigt tot handelen.

Obee en collega’s bieden daarmee een helder en overtuigend kader: kinderen zijn competente risicobeoordelaars die hun omgeving actief vormgeven. Een speelruimte die rijk is aan natuur, variatie, loose parts en weerelementen ondersteunt hen in het ontwikkelen van veerkracht, zelfvertrouwen en een realistische risicoperceptie. Het artikel maakt zichtbaar dat risicovol spel geen luxe is, maar een essentieel onderdeel van gezonde ontwikkeling.

Obee, P., Sandseter, E. B. H., & Harper, N. J. (2020). Children’s use of environmental features affording risky play in early childhood education and care. Early Child Development And Care, 191(16), 2607–2625. https://doi.org/10.1080/03004430.2020.1726904

De cruciale rol van begeleiders (Little & Van Rooijen et al.)

Onderzoek van Helen Little toont dat begeleiders een cruciale rol spelen in hoe kinderen risico mogen nemen, hoe ze worden ondersteund en hoeveel autonomie ze ervaren in hun spel. De overtuigingen van begeleiders, zoals hun comfortniveau, risicoperceptie, twijfels, angsten en positieve verwachtingen, bepalen in hoge mate welke kansen kinderen krijgen om spannende en uitdagende situaties te verkennen.

Van Rooijen, Lensvelt‑Mulders, Wyver & Duyndam bevestigen dit in hun studie naar professionele attitudes rond risicovol spel in Nederlandse contexten. Zij tonen dat 'teacher beliefs' nooit los staan van de omgeving waarin professionals werken. Regelgeving, organisatorische protocollen, ouderverwachtingen, collega’s en het eigen beeld van het kind vormen samen een netwerk van invloeden dat bepaalt hoe begeleiders handelen in risicovolle speelsituaties.

Professionals balanceren voortdurend tussen beschermen en ruimte geven. Hun interventies worden gestuurd door persoonlijke overtuigingen én door externe druk, zoals angst voor klachten, strikte veiligheidsnormen of uiteenlopende visies binnen het team. Deze factoren kunnen leiden tot terughoudendheid, twijfel of vroegtijdig ingrijpen, zelfs wanneer het risico pedagogisch waardevol is.

Effectieve begeleiding vraagt daarom om autonomie‑ondersteuning, nabijheid en emotionele veiligheid, zeker wanneer kinderen 'scaryfunny' momenten ervaren. Wanneer begeleiders vertrouwen tonen, sensitief afstemmen op het individuele kind en ruimte laten voor berekende risico’s, versterken zij risicocompetentie, spanningsregulatie en zelfvertrouwen.

Little, H., Sandseter, E. B. H., & Wyver, S. (2012). Early Childhood Teachers’ Beliefs about Children’s Risky Play in Australia and Norway. Contemporary Issues in Early Childhood, 13(4), 300–316. https://doi.org/10.2304/ciec.2012.13.4.300

Van Rooijen, M., Lensvelt-Mulders, G., Wyver, S., & Duyndam, J. (2019). Professional attitudes towards children’s risk-taking in play: insights into influencing factors in Dutch contexts. Journal Of Adventure Education & Outdoor Learning, 20(2), 138–154. https://doi.org/10.1080/14729679.2019.1568893

Zo veilig als nodig.

In de afgelopen decennia zijn kinderen vaak zeer beschermend opgevoed. In internationale literatuur wordt gesproken over de "bubble wrap generation" (Malone, 2007): een generatie kinderen die zo veel mogelijk werd afgeschermd van risico’s en waarvan de leefwereld “zo veilig als mogelijk” moest zijn. Louv (2007) beschrijft hoe kinderen steeds vaker binnenshuis opgroeien en minder toegang hebben tot vrij, avontuurlijk spel in de natuur.

De laatste jaren groeit de visie dat een omgeving niet zo veilig als mogelijk moet zijn, maar zo veilig als nodig. Wetenschappelijk onderzoek toont dat risicovol spelen essentieel is voor de ontwikkeling van risicocompetenties, zelfvertrouwen en spanningsregulatie. Angst voor ernstig letsel bij volwassenen blijkt vaak niet gegrond; lichte letsels zoals schrammen en blauwe plekken horen bij fysieke activiteit en vormen geen reden om uitdagend spel te vermijden.

Een belangrijk uitgangspunt is het onderscheid tussen risico en gevaar, en vervolgens tussen aanvaardbare en onaanvaardbare risico’s. Waar vroeger de nadruk lag op het vermijden van risico’s, ligt de focus nu op het leren omgaan met risico’s. Lindon (2011) benadrukt dat volwassenen risicogedrag positief mogen bekrachtigen en enkel moeten ingrijpen wanneer een risico of gevaar werkelijk onaanvaardbaar is. Wanneer ingrijpen nodig is, helpt een duidelijke uitleg het kind om te begrijpen waarom het spel werd gestopt en hoe het in de toekomst anders kan handelen.

Om risicocompetenties te stimuleren, moeten volwassenen hun eigen angsten en projecties herkennen en overstijgen (Little et al., 2011). Hun beslissingen om wel of niet in te grijpen worden beïnvloed door hun risicoperceptie, hun inschatting van letselkans en hun overtuigingen over het kind. Little en collega’s categoriseerden risicogedrag van risicovermijdend tot hoogrisicogedrag, wat begeleiders helpt om gedrag beter te herkennen en gepast te reageren.

Het RISCKI‑project van KU Leuven experimenteerde met risicovolle activiteiten op scholen, en deze bleken effectief in het bevorderen van risicoperceptie en risicocompetenties bij kinderen (Lavrysen et al., 2017). Op basis van deze bevindingen ontwikkelden Leyssen, Smets, Vandersprikken & Bertrands (2013) voor elke categorie risicogedrag een passende interventie voor volwassenen.

Deze leidraad ondersteunt ouders en professionals in het beslisproces rond ingrijpen bij risicovol gedrag en biedt concrete handvatten voor acties die zij in verschillende situaties kunnen ondernemen.

Goede begeleiding is essentieel: nabijheid, autonomie‑ondersteuning en emotionele veiligheid helpen kinderen om spanning te reguleren en zich vrij te ontwikkelen binnen een omgeving die niet zo veilig als mogelijk, maar zo veilig als nodig is.

In mijn observatiedocument bij NatuurTalent verwerk ik de tabel met categorieën van risicogedrag en de bijhorende begeleidingsinterventies. Deze tabel helpt mij om het spelgedrag van kinderen te analyseren en mijn observaties te koppelen aan wetenschappelijke inzichten over risicovol spelen en begeleiding.

Bronnen.

 

ARTEVELDEHOGESCHOOL. (2014). ABC van Risky Play. In COLLEGA-BEGELEIDER. https://www.arteveldehogeschool.be/risicovolspelen/file/repository/RePLAY_abc_HR.pdf

GoeGespeeld. (z.d.). https://www.goegespeeld.be/inhoud/risicovolspelen

Brussoni, M. & openaccessgovernment.org. (z.d.). Promoting risky play: Insights from the Outside Play Lab.

BS Kringeling Hever, Tineke, Deklasvansanne, De Lerende Wolf, & Wolf. (z.d.). Timmeren aan vaardigheden.

Cotterink, M., & Cornelissen, M. (2022). Risicovol spelen: van zo veilig als mogelijk naar zo veilig als nodig. Pedagogiek, 42(2), 183–207. https://doi.org/10.5117/ped2022.2.003.cott

De Lerende Wolf. (2021). Timmeren aan vaardigheden: Een timmerhoek in de basisschool. In Expertisefiche.

Declercq, B. & ExpertiseCentrum ErvaringsGericht Onderwijs (CEGO), KU Leuven. (z.d.). Waarom buitenspel?

ELLEN RUTGEERTS, CAROLINE BOUDRY, & FOTOGRAAF MALAGUZZI ONBEKEND. (2013). DE PEDAGOGISCHE VISIE VAN LORIS MALAGUZZI. In VBJK. https://vbjk.be/storage/files/441bc15b-75bc-46bf-bcbf-80d7fee25c9d/artikel-de-pedgogische-visie-van-loris-malaguzzi.pdf

Expertisecentrum. (z.d.). Wegwijzer - Risicovol spel. In Expertisecentrum. https://expertisecentrumkinderopvang.nl/images/documenten-openbaar/expertisecentrum-wegwijzer-risicovol-spel.pdf?

Hanscom, A. J. (2016). Balanced and Barefoot: How Unrestricted Outdoor Play Makes for Strong, Confident, and Capable Children. New Harbinger  Publications.

Hansen Sandseter, E. B. & Brit Paulsen. (2010). Scaryfunny (Door Norwegian University of Science and Technology, Faculty of Social Sciences and Technology Management, & Department of Psychology).

Karaca, N. H., Gözüm, A. İ. C., Kaya, Ü. Ü., Uzun, H., & Metin, Ş. (2026). Parental perceptions of risky play and preschooler’s motor creativity: mastery motivation as mediator and gender as moderator. Frontiers in Psychology, 17, 1856120. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2026.1856120

Little, H., Sandseter, E. B. H., & Wyver, S. (2012). Early Childhood Teachers’ Beliefs about Children’s Risky Play in Australia and Norway. Contemporary Issues in Early Childhood, 13(4), 300–316. https://doi.org/10.2304/ciec.2012.13.4.300

Louv, R. (1979). Het laatste kind in het bos.: Hoe we onze kinderen weer in contact brengen met de natuur. uitgeverij Jan van Arkel.

Mennes, F. (2025). outdoor education: Buiten aan de slag met wiskunde, wereldorientatie, taal en muzische vorming. SWP Amsterdam.

Obee, P., Sandseter, E. B. H., & Harper, N. J. (2020). Children’s use of environmental features affording risky play in early childhood education and care. Early Child Development And Care, 191(16), 2607–2625. https://doi.org/10.1080/03004430.2020.1726904

OECD, & Brussoni, M. (2020). Education in the Digital Age: Healthy and Happy Children (T. Burns & F. Gottschalk, Reds.). OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/1209166a-en

Robertson, J. (1998). Natuurlijk, buiten leren !: Een praktische leidraad voor buitenonderwijs. uitgeverij bazaltgroep.

Robertson, J. (2022). Natuurlijk, buiten rekenen!: rekenactiviteiten voor jonge kinderen.

The Education Hub. (2019). Promoting children’s risky play in outdoor learning environments. https://theeducationhub.org.nz/category/ece-resources/

Van Rooijen, M., Lensvelt-Mulders, G., Wyver, S., & Duyndam, J. (2019). Professional attitudes towards children’s risk-taking in play: insights into influencing factors in Dutch contexts. Journal Of Adventure Education & Outdoor Learning, 20(2), 138–154. https://doi.org/10.1080/14729679.2019.1568893