Mijn beliefs en mijn keuze voor outdoor learning en risicovol spel

Outdoor learning als onderwerp voor mijn bachelorproef was voor mij altijd al keuze nummer één. De natuur is dé plek waar kinderen echt bewegen, ontdekken, proberen en groeien. Kampen bouwen en bomen klimmen was mijn lief leven als kind. Het is vooral buiten waar ik echt tot rust kom, maar ook mijn innerlijke kind terugvind, waar ik verwondering blijf voelen, zin krijg om te spelen en ruimte vind voor avontuur.

Binnen dat brede thema sloot risicovol spel mooi aan bij iets wat mij als mama al veel langer bezighoudt.

Zin voor avontuur laten groeien

Mijn oudste dochter was van jongs af aan een kleine durfal. Onze tuin was in die periode nog één grote werf: het huis stond er, maar de garage werd nog gemetst, het gazon bestond nog niet, en achteraan lag een zalige berg uitgegraven grond. Een berg waarop uren plezier beleefd werd, waar een tijd een ramp tegen stond, waar een glijbaan tegen leunde, en waar geklommen, gegleden en gerold werd alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Ze leefde letterlijk op het steenpuin, speelde blootsvoets met stukjes baksteen, en we grapten vaak dat onze tuin “risicovol” was. We zeiden zelfs lachend: “Ge zult zien, zodra het hier aangelegd en ‘veilig’ is, gaan de ongelukken pas komen.”

Ze kroop op tweejarige leeftijd de muren en kasten op. Natuurlijk lag daar een grens, maar in plaats van het te verbieden, kochten we een Quadro‑klimrek. Dat verhuisde dan weer van binnen naar buiten en omgekeerd. Ik wilde haar honger naar uitdaging voeden en gaf aanwijzingen om te kijken of ze stevig stond. Ondertussen is geen boom meer veilig en klimt ze hoogtes in waar menig hart van stilstaat. Onze afspraken gaan vooral over bewustwording: welke takken stevig zijn, hoe je dode takken herkent, waarom je niet met twee of drie kinderen tegelijk boven op de monkeybars staat, en dat klimmen doe je met blote voeten of met vast schoeisel.

Olliver was een heel ander kind. Hij is nu enorm gegroeid in zijn durf, zeker wat klimmen en klauteren betreft. Dat hij een aanzienlijke correctie nodig had voor hypermetropie (verziendheid) en astigmatisme, verklaarde veel: zijn dieptezicht was minder betrouwbaar, en plots vielen puzzelstukjes op hun plaats.

Op zijn loopfiets was hij behendiger dan op zijn twee benen. Hij scheurde de berg af en nam bochten vlak langs palen, waardoor ik me afvroeg: “Doet hij dit expres? Kan hij dit wel inschatten?” Maar telkens liep het goed af. Zowel Isabelle als Olliver fietsten op driejarige leeftijd met een trapfiets. Ook daar bood ik uitdaging: parcoursjes werden steeds avontuurlijker, Olliver kreeg een klein skate‑rampje op de oprit, en het hoogteverschil van het terras werd door hen vrolijk mee in hun parcours opgenomen.

Ik merkte hoe vaak volwassenen reageren met een snel “pas op” of “voorzichtig hé”, waarschuwingen die een kind eigenlijk niets leren. Ik heb me daar altijd enorm aan geërgerd. Een kind leert een trap op en af gaan door concrete aanwijzingen: hou de leuning vast, kijk voor je, zet je voet daar. Met woorden als “niet vallen hé” en een paniekerige blik kan een kind niets beginnen.

Een kind heeft veel meer aan duidelijke, praktische ondersteuning: kijk voor je, zet je voet daar, hou je vast aan die tak. Zulke aanwijzingen geven richting, vertrouwen en inzicht.

Die bewustwording leefde al lang in mij. Welke handvatten wil ik mijn kinderen meegeven? Hoe ervaren zij wat hun lichaam kan? Hoe leren ze inschatten, beslissen, proberen en volhouden? En hoe ver reikt onze rol daarin, als mama én als juf? Wat laat ik toe, en wat niet? Waar kan ik loslaten, en waar zijn duidelijke afspraken nodig?

De vraag die bleef terugkomen

Zowel in mijn privéleven als in mijn rol als juf rees dezelfde vraag: Waarom hebben zoveel kinderen moeite met motoriek, lichaamscontrole én durf? Waarom gaat het ene kind wel op een goede manier uitdagingen aan en zovelen niet? Schat het ene kind risico’s wel goed in en anderen totaal niet?

Ik hoorde het van LO‑leerkrachten, ik zag het op speelplaatsen, en ik merkte het telkens opnieuw wanneer ik kinderen observeerde in natuurlijke klim‑ en speelomgevingen.

Daar viel mij iets op dat ik niet meer kon loslaten: jonge kinderen die zich soepel en intuïtief bewogen, terwijl aanzienlijk oudere kinderen soms onzeker, houterig of angstig waren. Kinderen die nog niet over een lage balk konden lopen. Dat zette me aan het denken. Was dit puur aanleg? Kansen en ervaring? Of speelde onze manier van begeleiden ook een rol?

Op die laatste vraag had ik voor mezelf al deels een antwoord. Ik zag namelijk grote verschillen in hoe ouders hun kinderen benaderden: niet mogen klimmen, niet mogen nat of vuil worden, kinderen die vooral waarschuwingen kregen in plaats van aanwijzingen. Ik zag ouders die zeiden: “Jij moet dat niet doen, je valt er toch af”, zelfs bij een laag parcours.

Ik herinner me een kind van een jaar of acht dat volledig in paniek raakte omdat hij geen droge uitweg meer zag op stapstenen in een waterstroom. Vooruit was het dichtst bij mama, maar hij durfde de sprong niet wagen; wat als hij nat werd? Achteruit dacht hij niet aan. En dan mijn vierjarige zoon, die zonder problemen van steen naar steen huppelde. Mijn kids liepen op blote voeten of met watersandalen, met de uitleg dat het ene wat meer kan schuiven dan het andere, en zonder schrik om gewoon eens in de stroom te stappen.

Wij zijn meestal voorzien, zeker als we de omgeving kennen: handdoekje mee, reservekledij, en spelen maar.

Groeien in echte omgevingen

Wat ik door de jaren heen heb geleerd, is dat kinderen groeien wanneer ze echte dingen mogen doen. Niet de speelgoedversie, maar het echte werk. Bij ons thuis helpen ze mee in de tuin: aarde scheppen, plantjes zetten, water geven, takken verzamelen, kippen verzorgen. Ze dragen materialen die zwaar kunnen zijn, voelen hoe een schop in de grond gaat, leren dat een tak kan breken, dat modder plakt, en kennen de veiligheidsafspraken rond een graafmachine. Ze helpen met timmeren of zetten zelf iets in elkaar.

Ze helpen plukken en groenten snijden, steken het kampvuur of de bbq mee aan. Het zijn die authentieke ervaringen die kinderen competent maken. Ze leren inschatten, proberen, bijsturen, opnieuw beginnen. Ze ontdekken dat ze dingen kunnen ondernemen, dat ze invloed hebben op hun omgeving, dat ze deel uitmaken van het echte leven.

Kinderen die met echte materialen werken, die echte risico’s leren inschatten, die voelen wat hun lichaam kan en waar hun grenzen liggen, dat zijn kinderen die groeien. Het is die combinatie van avontuur, verantwoordelijkheid en echtheid die hen sterker maakt. Iets wat ik als mama heel belangrijk vind en ook meeneem naar de klas.

Hoe kinderen groeien wanneer ze spanning mogen voelen, wanneer ze mogen proberen, wanneer ze mogen vallen en weer opstaan, en hoe onze (teacher)beliefs en opvoedstijl daarin een cruciale rol spelen: precies dat wilde ik onderzoeken. Risicovol spel werd daarom mijn deelonderwerp.

Mijn stage bij NatuurTalent versterkt dat alleen maar. Hun visie sluit zo mooi aan bij wat ik thuis zie en voel: kinderen die in echte natuur spelen, die verantwoordelijkheid krijgen, die mogen ontdekken, proberen, mislukken en opnieuw beginnen. Het is een plek waar vertrouwen centraal staat, waar begeleiders nabij zijn zonder te controleren, en waar kinderen de ruimte krijgen om hun eigen natuur te volgen, en dat midden in de natuur.

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb